Actueel

Oorlogsjournalistiek

December 1989. Nagylak, de grens tussen Roemenië en Hongarije. Het is een grijze winterdag. De wachtpost is niet verlicht. Aan de overkant wordt er geschoten. Het feest van de ‘bevrijding’ is verzuurd. De Securitate, de geheime dienst van Ceaucescu, zou op iedereen schieten. De wildste geruchten vinden gretig gehoor in de media. Ik zie mijn eerste mens vermoorden. En vooral, ik krijg mijn eerste les in oorlogsmisleiding. In de straten van Timisoara stroomt geen bloed. Er is iets fout met de beelden van het ‘massagraf’, beelden die de wereld hebben geschokt. De lijken van Timisoara zijn dichtgenaaid, het gevolg van een lijkschouwing, geen massamoord. Een dode baby is kunstig op het lichaam van een dode vrouw gelegd. De Roemeense revolutie is een schoolvoorbeeld van die dunne lijn tussen waarheid en verzinsel, tussen journalistiek en propaganda.

Front in Irak, juni 2003Front in Irak, juni 2003   © Rudi Vranckx Maart 2003. De eerste tankdivisies rollen Irak binnen. In hun zog honderden extatische verslaggevers. Getuigen van een zegetocht. Van de burgerslachtoffers, de ‘collateral damage’, de nevenschade geen spoor. Van dit front komt geen slecht nieuws. ‘Embedded’, ingekwartierde journalistiek is van alle tijden. Journalisten die alles bekijken door één bril, namelijk die van hun eigen militaire en politieke leiders. Wie geen kant kiest, is verdacht. Ik heb het nooit anders geweten. Samen met enkele collega’s zijn we de luizen in de pels. We zwerven rond tussen en achter de linies en registreren de chaos, de blunders… het gezicht van de oorlog, liefst zonder masker. Wat we zien is maar een klein stuk van de puzzel. Maar het is belangrijk want we merken de kiemen van de waanzin die Irak nu in haar greep heeft.

De kroniek van een aangekondigde oorlog, dat was Irak. De psychologen en spindoctors van het Pentagon hebben de oorlog goed voorbereid. Grote Angelsaksische mediaconcerns en kranten lagen in de slag met de politieke en militaire top. Voor de enen moest de oorlog er komen uit overtuiging of eigenbelang, voor de anderen moest die tot elke prijs een kijkcijferkanon worden. De rechten, als ging het om de wereldbeker voetbal, werden voorbehouden aan de ‘getrouwen’. De mediamagnaten steunen de oorlog. Voor hen wordt het een oefening in reality-tv. Radio en kranten schurken er onwennig tegen aan. De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit helemaal op dezelfde manier. Denk aan de Spaans-Amerikaanse oorlog in Cuba, 1898. De krantentycoon Hearst stuurt zijn beste illustrator naar Cuba met de boodschap: ‘Blijf daar. Jij zorgt voor de beelden, ik zorg voor de oorlog.’ Het eerste incident wordt met zoveel patriottische ijver opgeklopt dat inderdaad een oorlog uitbreekt. Dramatische verslagen doen de krantenoplagen vervijfvoudigen.

Het oude spook is weer opgedoken, die onuitroeibare kwaal van de conflictjournalistiek: ‘patriotic journalism’, wij en zij. Met de vlag zwaaien en de oeroude truc toepassen, van de tegenstander een duivel maken. Osama Bin Laden en George W. Bush hebben, als spiegelbeelden, mekaar groot gemaakt. Osama met zijn videoboodschappen over onrecht, frustratie en verlossing. Bush met zijn kruistocht tegen de ‘as van het kwaad’. Oorlogsjournalistiek is beeld én woord. In deze oorlog tegen de terreur, die vaak iets helemaal anders is, zijn woorden dodelijk. Wie zijn tegenstander tot ‘terrorist’ kan benoemen, heeft half gewonnen.

Juli 2006. Overigens vind ik dat de journalistiek het er niet zo slecht heeft afgebracht in de laatste oorlog in Libanon. Beter dan de soldaten en guerilla die zich misrekend hebben. Beter ook dan de internationale politici die een maand lang machteloos hebben toegekeken. Uiteraard hebben we alweer de klassieke propagandatrucjes van Israël en Hezbollah gezien. Iemand gelijk geven in een conflict dat al vijftig jaar aansleept is niet mogelijk, dus kan je als journalist het beste de gevolgen van de oorlog tonen, de newsspeak ontmaskeren. Het mooiste compliment kwam van sommige politici. Die vonden de berichtgeving misschien té veel in het voordeel van de Libanese slachtoffers. Een ‘fout’ die veel journalisten maakten. Wat een verschil met Irak drie jaar eerder. En ik die dacht dat het daar allemaal om draaide, het échte gezicht van de oorlog tonen.

Ramallah, vernield tijdens een Israëlisch bombardement in de Tweede Intifada, najaar 2002Ramallah, vernield tijdens een Israëlisch bombardement
in de Tweede Intifada, najaar 2002   © Rudi Vranckx
Zijn er dan tips? Alleen maar een persoonlijke geloofsbelijdenis. Ten eerste, hoe meer gedreven journalisten op hun manier de oorlog willen tonen en beschrijven, hoe beter. De lezer, kijker, luisteraar is slimmer dan we soms willen denken, geef hem de keuze. Daarom vind ik het zo spijtig dat in Vlaanderen zoveel media afgehaakt hebben. Ten tweede, ga ter plekke. Ik zou de collega’s geen eten willen geven die vanuit riante hotelkamers indringende oorlogsbeschrijvingen en analyses geven. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog in de negentiende eeuw werden veldslagen briljant beschreven, jammer dat ze nooit hadden plaatsgevonden. Ten slotte, probeer eerlijk te zijn met jezelf en dus ook met de lezer. We zijn geen alwetende, onfeilbare supermensen, integendeel. Soms twijfel je, zijn je indrukken persoonlijk, het zij zo. Maar toon vooral je beperkingen. Soms win je, soms verlies je, ook als journalist, maar oorlog is te belangrijk om niet steeds opnieuw te proberen een deel van de werkelijkheid, het gezicht van de oorlog te schetsen.

‘Si tous les dégoûtés s’en vont, il n’y a que les dégoûtants qui restent.’ En vergeet vooral de vraag ‘waarom’, ‘why’ niet. Veel machthebbers horen die niet graag.

Rudi Vranckx

Waere af-beeldinge ende beschrijvinghe vanden bloedigen slach geschiedt voor Praghe
Antwerpen, Abraham Verhoeven, 1620
Exemplaar: Antwerpen, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, B 25085