Actueel

Bevalling in vraag en antwoord

Dit zeventiende-eeuws vroedkundig handboekje is een interessant tijdsdocument, temeer daar het geschreven werd door een chirurg met de bedoeling de achtergrondkennis van vroedvrouwen te verbeteren. Een georganiseerde vroedvrouwenopleiding bestond in die tijd niet; de overgeleverde kennis was vooral praktijkgericht. In het zeventiende-eeuwse Brugge wou Kelderman kennis van de fysiologie en pathologie van de verloskunde bijbrengen aan vroedmeesters en vroedvrouwen. Voortaan moesten ze een examen afleggen om hun kennis aan te tonen. Hiertoe stelde hij een Nederlandstalig (maar sterk door de streektaal gekleurd) boekje samen, met praktijkgerichte vragen en antwoorden.

De inleiding is eerder saai, en bevat een weinig opwindende beschrijving van de foetale ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken komt de nadruk echter te liggen op het vakmanschap van een gedreven en ervaren verloskundige, die zijn vaardigheden wil overdragen op de zorgverstrekkers van moeder en kind. Het onderzoek van de zwangere vrouw, het volgen van de arbeid en de begeleiding van de bevalling zijn nog steeds actueel, alhoewel het instrumentarium met de tijd mee geëvolueerd is. Belangrijk is het grote belang van de kliniek, aangezien er weinig of geen technologische middelen voorhanden waren. Bij de vraag naar het begin van de arbeid – nog steeds een moeilijke diagnose – legt hij de nadruk op ‘de lendenpijn die verdubbelt tot beneden in de buik en de liesstreek, het aangezicht dat rood aanloopt, flauwten en braken, bevingen en een warm lijf’: beter kun je het niet omschrijven.

Ook de evolutie van de baarmoederhals en de ontsluitingsfaze worden accuraat beschreven, op een manier die anno 2007 nog steeds overeind staat. Reeds in die tijd besefte men dat hygiëne, steun en comfort belangrijk zijn (korte nagels om vrouw en kind niet te kwetsen, olie en warme doeken...); ook in de zeventiende eeuw waren er drie tot vier vrouwen nodig om het baringsproces te begeleiden. Naast technologische kennis spreekt uit Keldermans boekje ook respect voor de barende vrouw, die hij op een zo humaan mogelijk manier tracht te ondersteunen.

Kelderman waarschuwt reeds voor problemen van oudere barenden, weliswaar zonder ‘evidence-based’ argumenten. Hij doceert dat een jonge, tere vrouw met tere huid vlugger zal ontsluiten en makkelijker zal bevallen dan een oudere vrouw (een vrouw die ouder is dan 30 jaar – sic!), ‘want als een Vrouw over de 30 Jaeren, eerste Kinderen moet baeren, het is zeker dat zij een vaster huyd als die van jonger jaeren draegt.’ Ook in vele Afrikaanse regio’s wordt bij een eerstbarende van ouder dan 30 jaar een primaire sectio voorgesteld uit vrees voor meer baringspathologie.

Wat het baringsproces zelf betreft, maakt Kelderman een onderscheid tussen de werking van de natuur, waarbij de vroedvrouw, zolang alles goed gaat, enkel moet observeren, en het ‘hand-werck’ van de hulpverlener bij verloskundige complicaties. Zijn beschrijving van interventies (‘hand-reikinge’) bij schouderdystocie is nog steeds actueel. Ook het voorgestelde beleid bij tweelingen getuigt van ervaring en inzicht.

Kortom, dit verloskundig handboekje is aangename literatuur voor iedereen die actief betrokken is bij zwangerschap en bevalling. De vraag- en antwoordvorm blijft een interessante manier om de kennis terzake te toetsen.

Marleen Temmerman & Hans Verstraelen

Cornelis Kelderman, Onder-wys voor alle vroed-vrouwen, raeckende hun ampt ende plicht
Brugge, Ignatius van Pee, 1697
Exemplaar: Brugge, Openbare Bibliotheek, CDM 4