Wetenschap

Toen in 1631 de dichtbundel Poemata oft Ghedichten van Gerard vanden Brande in Antwerpen het licht zag, was dit niet de ‘eerste vrucht synder penne’. Met deze kwalificatie had de jonge dichter immers al in 1629 een werk de wereld in gezonden. Daarin had hij laten zien dat hij, als een echte ‘rapper’, het ritme van de alexandrijn goed onder de knie had. In meer dan zeshonderd technisch gaaf geformeerde verzen van telkens twaalf of dertien lettergrepen, vertelde hij er het wonderlijke leven van de heilige Rosalia. Die had wel in de twaalfde eeuw in Sicilië geleefd, maar haar relieken waren pas heel recent gevonden, in 1624. Vanuit Palermo hadden de jezuïeten, die de devotie van deze ‘kleine heilige’ propageerden, ook relikwieën naar hun Antwerpse professenhuis gezonden. In dat huis zetelde de jongemannensodaliteit van Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte, waar Gerard vanden Brande lid van was. Zijn Leven van de H. Maghet Rosalia droeg hij aan de geestelijke leidslieden van deze broederschap op; het sloot af met een ‘nieuw liedeken’ waarin de heilige Rosalia werd aangeroepen om bescherming tegen pest, duurte en oorlog.

Ook in zijn tweede boek, de Poemata oft Ghedichten, vinden we deze twee elementen: een dichterschap in dienst van een Antwerps gezelschap, en betrokkenheid bij de actualiteit, meer bepaald de ellende van de oorlog, want de vrede van Munster was nog ver! Het gezelschap waaraan verschillende van de Poemata gerelateerd kunnen worden, is de rederijkerskamer De Olijftak, die, naar haar patroon, ook de kamer van de heilige Geest werd genoemd. Het was in deze kamer dat de jonge Gerard functioneerde en waar hij zich kon laten inspireren en stimuleren door Jan IJsermans, die er als ‘facteur’ de creatieve leiding had. In 1628 had IJsermans in drie aparte maar wél gezamenlijk verschenen bundeltjes een bloemlezing uit zijn eigen volledige werk bezorgd. De derde bundel droeg de titel Nederlantsche Poëmata. Het gebruik van het vreemde woord Poëmata met de Griekse uitgang kende bij Olijftakdichters een zekere traditie. In 1621 was Guilliam van Nieuwelandts Poëma vanden Mensch verschenen en in 1619 bezorgde Jan David Heemssen zijn Nederduytsche Poëmata, een titel waaronder in 1616 al de Nederlandse gedichten van de hooggeleerde Daniël Heinsius uit Leiden gebundeld waren. Ook Gerard vanden Brande kende het werk van Heinsius (hij vermeldt hem in een van zijn gedichten) en kon dus strikt genomen voor zijn ‘poemata’ ook zonder Olijftaktraditie. Toch lijkt de uitgave van zijn Poemata oft Ghedichten ook op een ander punt door IJsermans te zijn geïnspireerd. Zoals diens Nederlantsche Poëmata samen met andere bundels waren verschenen, verscheen ook Vanden Brandes bundel niet alleen, maar als het tweede deel van een duo. Het eerste deeltje, in hetzelfde formaat en bij dezelfde drukker bezorgd, draagt de titel Het leven Vanden deughdt-samen, ende seer Godt-vruchtighen Iohannes vanden Bosch en bevat in 720 alexandrijnen een beschrijving van het leven en het sterven (op 6 april 1615) van de genoemde Vanden Bosch, waarbij ook kort even zijn vrouw, Eva Hermans, wordt gememoreerd.

De boekjes konden wel afzonderlijk worden gekocht, maar ze samen hebben was toch mooier, vooral omdat het eerste als het ware uit een gedicht in het tweede was voortgekomen. Johannes vanden Bosch, die in Het leven vanwege zijn voorbeeldige levenswandel en bijzondere gaven bijna heilig wordt verklaard, was immers de vader van Henricus vanden Bosch, die als erevoorzitter of ‘prince’ van de Olijftak onder meer een wedstrijd organiseerde waarop men in de vorm van refreinen (gedichten die per strofe een zelfde slotregel hebben) een antwoord moest geven op de vraag ‘wat daet can best een kint tot loff zijns Ouders doen’ (wat kan een kind het best tot eer van zijn ouders doen?). Vanden Brande opent zijn Poemata met een sonnet waarin Henricus voor dit initiatief gelauwerd wordt. Vervolgens geeft hij in ‘zijn’ bundel ruimte aan drie antwoorden op de gestelde vraag. Daarvan is alleen het eerste gedicht van zijn hand. Dit refrein op de regel ‘Sijns Ouders naem door deught onsterffelijck te maken’ werd op de wedstrijd als het beste antwoord beschouwd. Het beste wat men volgens dit gedicht als ‘zoon’ kan doen, is deugdzaamheid betrachten, omdat deze deugdzaamheid aanzet tot lovende beschrijvingen die – en hier spreekt de renaissance-dichter – een waarborg zijn voor een onsterfelijke naam. In zijn opdracht van Het leven aan Henricus vat Vanden Brande zijn refrein zo samen dat het onsterfelijk willen maken van ‘sijns Ouders naem’ zélf tot een deugd wordt gemaakt. Door die deugd werd zoon Henricus gedreven, en daarbij is Vanden Brande zijn ‘prince’ met de berijming van Het leven graag van dienst geweest.

Na de drie wedstrijdrefreinen volgen in de Poemata twintig gedichten van Vanden Brande, alle, zoals de twee voorgaande, ondertekend met zijn kenspreuk ‘Brandt in Liefde’, die vaak ook nog eens in de teksten zelf is verwerkt. Dat is het geval in de in refreinstrofen geschreven tijdsklacht waarin de neergang van Antwerpen en het verdorren van de Olijftak – en dus ook van de poëzie – zelfbeschuldigend worden toegeschreven aan het ontbreken van ‘deugd’ waardoor ‘wij’ niet ‘in liefde branden’. De stad had volgens deze dichter duidelijk behoefte aan een vuurtoren die van liefde blaakt…

Op het klachtdicht volgen zestien liederen en drie sonnetten. Van de eerste zeven liederen, waaronder zes van religieuze aard, refereren de meeste door de vermelding van de Olijftak of de H. Geest aan Vanden Brandes kamerdienst. Daarna lijkt hij meer op eigen vleugels te gaan zweven. Dat is met name het geval in de duidelijk als ‘nieuw’ geafficheerde amoureuze liedjes, zes in getal, waarin Vanden Brandes erotiek zich modieus in pastorale fantasieën kleedt. Ook een puntgaaf ‘Sonet op de Deught’ en twee andere, naar aanleiding van recente oorlogsverrichtingen polemisch aangescherpte sonnetten over de wisselvalligheid van de Fortuin bewijzen dat Vanden Brande als dichter bij de tijd en bij de pinken was.

De Poemata en Het leven zijn beide in oblong, het formaat waarin al meer dan een eeuw lang refrein- en liedboeken verschenen. Ze behoren niet tot de meest luxueuze en duurste variant in het genre: geen kwarto, maar octavo oblong, niet te dik (de Poemata-bundel telt 72 bladzijden) en zonder illustraties of muzieknotaties. Duur zullen deze boekjes in hun tijd niet zijn geweest: heel veel meer dan drie stuiver elk zullen ze niet hebben gekost. Toch moeten ze niet tot de populaire literatuur worden gerekend. Niet de prijs maar de inhoud, met zijn literaire pretenties, zijn verwijzingen naar de klassieke literatuur en zijn mythologische opsmuk, maakte dat een bundel als de Poemata geen kandidaat was om gebruiksgoed voor iedereen te worden. Juist door zijn intellectuele of stilistische barrière vond de bundel natuurlijk wél een eigen publiek van kenners en proevers. Dat publiek moet in de bredere kringen rond de Olijftak en andere Antwerpse kamers worden gezocht. En al was het boekje (dit geldt ook voor Het leven) dan niet heel luxueus uitgevoerd, met zijn verzorgde schikking en gevarieerde typografie (afwisselend gotisch, romein en cursief) heeft de drukker toch een fraai en degelijk product afgeleverd. Een fijn hebbeding met poëzie van een jonge, beloftevolle dichter!

De hooggestemde opvatting over de vereeuwigingskracht van poëzie waarvan zowel Het leven als de Poemata getuigen, wordt door de staat waarin de exemplaren van de Antwerpse Stadsbibliotheek zijn overgeleverd, enigszins gerelativeerd. Van Het leven ontbreken de eerste negen bladen, van de Poemata de laatste zes. (Een volledig exemplaar van beide bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel.) Dit verlies kan niet slechts het gevolg van een intensief gebruik als leesboek zijn, maar moet aan wredere aanslagen van het lot worden toegeschreven. Het handgeschreven titelblad dat iets van de schade herstelt, geeft de titel van Het leven niet juist weer en vertroebelde ook de oorspronkelijke verhouding van dit boekje tot zijn partner, de Poemata.

Dirk Coigneau

Lit.: G. vanden Brande, Het leven Vanden deughdt-samen, ende seer Godt-vruchtighen Ioannes vanden Bosch, Antwerpen, 1631, en Poemata oft Ghedichten van Geeraerdt vanden Brande vervattende sommighe liedekens Reffereynen ende Sonnetten, Antwerpen, 1631 (Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, II 25957); A.A. Keersmaekers, Geschiedenis van de Antwerpse Rederijkerskamers in de jaren 1585–1635 (Aalst, 1952), pp. 66-67; I. de Cooman, H. Meeus, M. De Wilde, Tot vermaeck van alle Sang-lievende Lieden. Het zeventiende-eeuwse Nederlandse lied in handschrift en druk (Antwerpen, 2004), pp. 40-41.

Gerard vanden Brande, Poemata oft Ghedichten … vervattende sommighe liedekens reffereynen ende sonetten
Antwerpen, Geeraerd II van Wolsschaten, 1631
Exemplaar: Antwerpen, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, C 41318