Wetenschap

Een ‘lust-hof’ is een populaire literaire verwijzing naar een paradijs, te vergelijken met het aards paradijs. Vooral literatuur gericht op een groter publiek hanteerde soortgelijke titels. Dat Joos Griettens, schout te Ieper, een ruimer publiek dan dat van de topgeleerden wil bereiken, blijkt onder meer uit het feit dat hij niet enkel verwijst naar bijbelse, mythologische en historische voorbeelden van heldhaftige, deugdzame vrouwen, maar ook naar spreekwoorden uit de volkse taal en naar verhalen waarin een positief beeld van vrouwen opgehangen wordt. Zijn stijl is niet enkel die van de retorica, die speelt met vraag en antwoord of met tegenstellingen, enkel om de eigen geleerdheid te laten zien. Hij richt zich naar ‘vrouw-lievende mans’, mannen die niet totaal afkerig staan tegenover de vrouw, en vraagt dat ze het hem niet kwalijk nemen dat hij de nadruk legt op goede kanten van veel (niet alle) vrouwen. Hij citeert het volkse gezegde dat mannen vaak de splinter in de ogen van vrouwen zien, maar niet de balk in hun eigen ogen.

De hoofdstelling van het boek is dat als vrouwen de zonde begaan van liegen, bedriegen, lichtvaardigheid, onverzadigbaarheid, ze dit doen als mens en niet als vrouw. Daarmee ging de auteur een stap verder dan gebruikelijk was in de vele bijdragen van mannen aan de zogenaamde ‘querelle des femmes’, die terugging tot de middeleeuwen. Deze ‘querelle’ verdeelde de geleerden in twee kampen. Het grootste kamp veroordeelde de vrouw omwille van haar zwakheid van vlees en geest, waardoor ze makkelijk het instrument van de duivel werd en een gevaar voor mannen vormde. Het andere kamp, sterk in de minderheid, verdedigde een aantal uitzonderlijk deugdzame en geleerde vrouwen uit de geschiedenis, de mythologie en de bijbel, maar ging niet zover om man en vrouw gelijk te stellen. Zelfs de humanisten deden dat niet, en de geestelijken al helemaal niet. Deze laatsten discussieerden eerst eeuwenlang over de vraag of de vrouw wel een ziel had, en daarna of ze door de Schepper en de natuur niet veroordeeld was tot de (erf)zonde.

De auteur van deze Lust-hof was zich uiteraard wel bewust van bijbelse teksten die de man tot hoofd van het gezin maakten en de vrouw in een ondergeschikte positie plaatsten. Volgens hem had God dit echter niet gedaan om de vrouw tot slavin van de man te maken, maar om pragmatische redenen: in een gezin, zoals in een koninkrijk, mag er slechts één gezag zijn, zoniet wordt het door twisten geplaagd. De Lust-hof werd opgedragen aan een vrouw, edelvrouw Marie de la Viefville, gravin van Watou, barones van Busbeke. Dit is betekenisvol omdat de auteur zich op deze manier kon plaatsen in de kringen van ‘doorluchtigen’, van de hogere klasse, waar per definitie ook de deugdzame en geleerde vrouwen te vinden waren. Hoewel hij naar deze edelvrouw verwees als zijn inspiratiebron, liet Griettens zelf de vrouwen niet aan het woord; wellicht was dit voor hem een stap te ver. Hij verdedigde vrouwen wel, maar dan enkel zij die uitblonken in intelligentie, wijsheid en praktische kunsten. Daarmee plaatste de auteur zich helemaal in de traditie van het mannelijk debat over de ‘querelle des femmes’, dat tot de dag van vandaag doorgaat, met of zonder de stem van alle vrouwen.

Maar deze discussie werd veel meer gevoed door geschriften die de zwakheid en de ondeugden van de vrouw aanklaagden. De zwakheid van haar geest en lichaam was nu eenmaal meegegeven door de natuur, en dus onveranderlijk. Bovendien gedroegen sommige vrouwen zich ‘des duivels’. Het boekje Teghen-verghift teghen een groote peste van het christendom, te weten: de ydelheyt, oneerbaerheyt, ende overdaet der vrauwelycke kleederen ende cieraeten werd geschreven door minderbroeder recollect Franciscus Cauwe. Hij droeg het op aan de bisschoppen en aartsbisschoppen van de Nederlanden. Het riep hen op om maatregelen te nemen tegen vrouwen die zich te opvallend kleedden, met naakte armen en borsten, en die de aandacht trokken door hun vele sieraden. Dat kon door hun de sacramenten te weigeren, want ze begingen een doodzonde die erger was dan overspel. De auteur haalde zijn argumenten uit diverse bronnen, zoals de bijbel, de brieven der apostelen, de geschriften van kerkvaders, theologen en pausen, heiligenlevens, wereldlijke ordonnanties en ‘historien’.

Volgens Cauwe moeten vrouwen die zich opzichtig kleden gestraft worden, want ze zijn onkuis. Al is er maar één enkele vrouw die dat doet, dan zullen andere vrouwen snel volgen. En mannen zullen zich onvermijdelijk laten verleiden door vrouwen met sieraden, en zo in zonde vervallen. Sinds de mode naakte borsten toelaat is er tussen hoeren en eerbare vrouwen geen verschil meer. De auteur doet deze oproep ook uit eigenbelang: hij wil van de profeet Jesajas uit de H. Schrift niet het verwijt krijgen dat hij een ‘stomme hond is, die niet durft blaffen.’

De titelpagina van dit boek vat het allemaal samen: ‘De grote pest van het christendom is de ijdelheid, de oneerbaarheid en de overdaad der vrouwelijke kleren en sieraden.’ Opmerkelijk in dit geschrift is dat de intentie van de vrouwen geen enkele rol speelt, en dat hun van nature zwakke geaardheid ze niet vrijpleit van schuld. Integendeel, biechtvaders en bisschoppen zouden zelfs de absolutie moeten weigeren aan vrouwen met opzichtelijke kledij. De invloeden van de contrareformatie én van de ‘querelle des femmes’ zijn hier duidelijk merkbaar.

Monika Triest

Lit.: D. Androniki, ‘Defenders’ and ‘enemies’ of women in early modern Italian Querelle des Femmes. Social and cultural categories or empty rhetoric? Paper presented at Gender and Power in the New Europe conference, Lund University, Lund, 2003; S. Veld, Tot lof van vrouwen? Retorica, sekse en macht in paradoxale vrouwenloven in de Nederlandse letterkunde (1578–1662), promotie-onderzoek, Instituut voor Geschiedenis en Cultuur, Universiteit Utrecht, 2005.

a. Joost Griettens, Lvst-hof van[de] doorluchtighe en[de] deughtsame vravwen
Ieper, Jan Bellet, [niet voor 1632]
Exemplaar: Gent, Universiteitsbibliotheek, B.L. 8596

b. Franciscus Cauwe, Teghen-verghift teghen een groote peste van het christendom, te weten: de ydelheyt, oneerbaerheyt, ende overdaet der vrauwelycke kleederen ende cieraeten
Gent, erfgenamen van Jan van den Kerchove, 1676
Exemplaar: Gent, Universiteitsbibliotheek, Acc. 32369